25/02/2026

De rechtbank van eerste aanleg Leuven heeft vandaag drie beklaagden veroordeeld voor het toebrengen van slagen en verwondingen. De drie slachtoffers zijn allen politie‑inspecteur, maar waren op het moment van de feiten niet in dienst. De feiten vonden plaats op 31 december 2023 in de omgeving van de Leuvense Grote Markt. In haar vonnis benadrukt de rechtbank dat vechtpartijen zoals deze het veiligheidsgevoel in het uitgaansleven aantasten en overlast veroorzaken voor zowel de lokale horeca als de politiediensten. 

Feiten 

Ter hoogte van het Belfius‑bankfiliaal op de Grote Markt in Leuven ontstond op 31 december 2023 omstreeks 05.00 uur in de ochtend een discussie tussen enerzijds ‘burgerlijke partij 1’, ‘burgerlijke partij 2’ en ‘burgerlijke partij 3’ (allen inspecteur van politie, maar op dat moment niet in dienst) en anderzijds 'beklaagde 2’ en 'beklaagde 3'.

De betrokken personen begonnen met elkaar te discussiëren, waarna ‘beklaagde 3' zijn gsm nam en begon te bellen. Enkele minuten later kwamen 'beklaagde 1' en 'beklaagde 4' aangelopen. Op dat moment gaf ‘beklaagde 2’ onmiddellijk een slag in het aangezicht van 'burgerlijke partij 1', gevolgd door meerdere vuistslagen. Daarop ontstond een eerste vechtpartij tussen beide groepen. Deze vechtpartij eindigde om 05.04 uur.

Op het kruispunt van de Brusselsestraat en de Parijsstraat kwam het vervolgens tot een nieuwe confrontatie tussen beide groepen. Deze tweede vechtpartij eindigde om 05.06 uur. Op de beschikbare camerabeelden is te zien dat ‘burgerlijke partij 2’ meteen na deze feiten aan het bellen was met de politie.

'Beklaagde 3’ was intussen de Parijsstraat ingelopen en maakte een teken naar 'beklaagde 1', 'beklaagde 2' en 'beklaagde 4' om hem te volgen. De vier beklaagden sloegen daarop op de vlucht, maar konden na een korte achtervolging door de politie worden gevat.

Op de beschikbare camerabeelden is het verloop van de gebeurtenissen en de vechtpartijen duidelijk zichtbaar. Op basis van deze beelden kan echter niet worden vastgesteld wat de concrete aanleiding was voor de vechtpartij. De verklaringen van de verschillende partijen lopen op dit punt uiteen.

 

Tenlasteleggingen

De vier beklaagden dienen zich samen te verantwoorden voor het toebrengen van opzettelijke slagen aan ‘burgerlijke partij 1’, met ziekte of werkonbekwaamheid van minder dan of gelijk aan vier maanden tot gevolg (tenlastelegging A).

'Beklaagde 1' en 'beklaagde 4' worden daarnaast aangeklaagd voor het toebrengen van opzettelijke slagen of verwondingen aan 'burgerlijke partij 2' (respectievelijk tenlastelegging B.1 en B.2).

'Beklaagde 2' wordt eveneens aangeklaagd voor het toebrengen van opzettelijke slagen of verwondingen aan 'burgerlijke partij 3' (tenlastelegging B.3).

Beoordeling per beklaagde

‘Beklaagde 1’

‘Beklaagde 1’ werd door ‘beklaagde 3’ opgebeld met de vraag om naar de plaats van de vechtpartij te komen. Hij mengde zich onmiddellijk in het gevecht en probeerde burgerlijke partij 1 mee naar de grond te trekken. Tijdens het hele gevecht gaf ‘beklaagde 1’ meerdere (vuist)slagen aan burgerlijke partij 1, ook wanneer deze al op de grond lag. Na de eerste vechtpartij sprong ‘beklaagde 1’ op de rug van ‘burgerlijke partij 1’ en probeerde hij hem opnieuw naar de grond te trekken, gevolgd door meerdere slagen in diens gezicht. Daarnaast richtte ‘beklaagde 1’ zich tijdens het gevecht ook tot burgerlijke partij 2 en gaf hem meerdere slagen.

Van wettige zelfverdediging kan in deze omstandigheden volgens de rechtbank geen sprake zijn. Evenmin is er sprake van uitlokking.

‘Beklaagde 1’ heeft een ongunstig strafblad en werd in het verleden reeds veroordeeld voor feiten van geweldpleging.

De rechtbank verklaart ‘beklaagde 1’ schuldig aan de misdrijven onder tenlasteleggingen A en B.1. De werkstraf vormt volgens de rechtbank een passend antwoord op de bewezen feiten. Hij wordt daarom veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur en een geldboete van 400 euro.

‘Beklaagde 2’

Uit de beelden blijkt duidelijk dat ‘beklaagde 2’ bij aanvang van het gevecht als eerste fysiek geweld gebruikte. Hij gaf meteen een slag, gevolgd door meerdere vuistslagen aan burgerlijke partij 1, waardoor het gevecht ontstond. Ook wanneer burgerlijke partij 1 op de grond lag, bleef ‘beklaagde 2’ hem meerdere slagen toedienen. Na de eerste vechtpartij liep ‘beklaagde 2’ opnieuw achter ‘burgerlijke partij 1’ aan en begon hem opnieuw slagen te geven. Toen ‘beklaagde 2’ werd weggetrokken door ‘burgerlijke partij 3’, gaf hij haar met beide handen een slag in het gezicht.

Van enige vorm van uitlokking kan in deze omstandigheden volgens de rechtbank geen sprake zijn.

‘Beklaagde 2’ heeft een ongunstig strafblad en werd eerder al veroordeeld voor geweldsfeiten. Ter zitting verklaarde hij dat een werkstraf voor hem niet combineerbaar is met zijn drukke werkschema.

De rechtbank verklaart ‘beklaagde 2’ schuldig aan de misdrijven onder tenlasteleggingen A en B.3. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden met probatie-uitstel gedurende een proeftijd van drie jaar, alsook tot een geldboete van 400 euro.

‘Beklaagde 3’

‘Beklaagde 3’ was samen met ‘beklaagde 2’ betrokken bij de verbale discussie en nam telefonisch contact op met ‘beklaagde 1’.  Na het uitbreken van de vechtpartij hield ‘beklaagde 3’ zich eerder afzijdig. Hij keek de hele vechtpartij toe en hielp zijn vrienden recht wanneer zij op de grond vielen. Op het einde van de vechtpartij nam hij het voortouw om te vluchten en gebaarde hij naar zijn vrienden dat zij moesten weglopen.

Hoewel vaststaat dat ‘beklaagde 3’ een trap gaf in de richting van ‘burgerlijke partij 1’, blijkt uit de camerabeelden niet dat hij deze daadwerkelijk raakte. Er zijn geen andere elementen waaruit kan worden afgeleid dat ‘beklaagde 3’ ‘burgerlijke partij 1’ zou hebben geslagen of verwond.

Uit het loutere feit dat ‘beklaagde 3’ ‘beklaagde 1’ heeft opgebeld en gevraagd zou hebben om af te komen, kan niet worden afgeleid dat hij zijn medebeklaagden bewust zou hebben aangezet of opgehitst tot gewelddadig gedrag ten aanzien van ‘burgerlijke partij 1’.

De rechtbank spreekt ‘beklaagde 3’ om die reden vrij voor tenlastelegging A.

‘Beklaagde 4’

‘Beklaagde 4’ begaf zich bij aankomst onmiddellijk naar de vechtpartij tussen ‘beklaagde 2’ en ‘burgerlijke partij 1’. Op de camerabeelden is duidelijk te zien dat ‘beklaagde 4’ zich meteen in het gevecht mengde en bijzonder hard uithaalde naar ‘burgerlijke partij 1’. Toen ‘burgerlijke partij 1’ op de grond lag, trapte ‘beklaagde 4’ meermaals hard tegen diens hoofd en rug. Hij liep vervolgens bewust naar ‘burgerlijke partij 2’ en gaf hem een kniestoot.

‘Beklaagde 4’ verscheen niet op het politieverhoor. Ook op de zitting van de rechtbank bleef hij, als enige beklaagde, afwezig en werd hij niet vertegenwoordigd door een raadsman. 'Beklaagde 4’ heeft nog een blanco strafregister.

'Beklaagde 4' speelde een belangrijke rol tijdens de vechtpartij en gebruikte daarbij meermaals zwaar fysiek geweld ten aanzien van ‘burgerlijke partij 1’ en ‘burgerlijke partij 2’. De rechtbank acht het noodzakelijk dat ‘beklaagde 4’ een duidelijk signaal krijgt dat zijn gedrag onaanvaardbaar is.

De rechtbank verklaart ‘beklaagde 4’ schuldig aan tenlasteleggingen A en B.2. Hij wordt veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 10 maanden en een geldboete van 400 euro.

Uitspraak op burgerlijk vlak

De schade geleden door ‘burgerlijke partij 1’ zou minstens voor een groot deel vergoed worden door zijn familiale verzekering. 

‘Beklaagde 1’ en ‘beklaagde 4’ worden hoofdelijk veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van 200 euro aan ‘burgerlijke partij 2’.

‘Beklaagde 2’ moet aan ‘burgerlijke partij 3’ een schadevergoeding betalen van 500 euro.

Motivering rechtbank

De feiten onder de bewezen tenlasteleggingen zijn ernstig en laakbaar.

Zij getuigen van een agressieve ingesteldheid en van een gebrek aan respect voor de fysieke integriteit van anderen. Daarnaast tasten vechtpartijen zoals deze in aanzienlijke mate het veiligheidsgevoel in het Leuvense uitgaansleven aan én veroorzaken zij bovendien overlast voor de lokale horeca en de politiediensten.

Dat sommige betrokkenen onder invloed van alcohol waren, verandert voor de rechtbank niets aan de beoordeling van de feiten.